zaterdag , 23 juni 2018
Nieuwe vraag
Home » Vraag & Antwoord » Mohammed vrede zij met hem » Hoe was het karakter van profeet Mohammed (vzmh)?

Hoe was het karakter van profeet Mohammed (vzmh)?

Profeet Mohammed, vrede zij met hem, had een opvallend karakter. Eerwaarde Bosworth Smith merkt hierover op: “Als staatshoofd én hoofd van de Kerk, was hij Caesar en de Paus in één; maar hij was paus zonder de rechten van de paus en Caesar zonder de legioenen van Caesar, zonder bestaand leger, zonder bodyguard, zonder paleis, zonder vast inkomen. Als iemand het recht zou hebben te zeggen dat hij met behulp van een Goddelijkrecht heerste, zou dat Mohammed, vrede zij met hem, zijn, omdat hij alle macht had zonder instrumenten en zonder de steun daarvan. Hij gaf niet om machtsvertoon. De eenvoud van zijn persoonlijke leven stemde overeen met zijn publieke leven.”

Hoewel hij met gemak als een koning had kunnen leven, leidde hij een eenvoudig leven en bezat hij naast een paar essentiële benodigdheden, geen wereldse zaken. Zijn huis bestond uit een hut (met muren) van ongebakken klei en een rieten dak van palmbladeren, dat met kamelenhuid was bedekt. In zijn kleine kamer lagen een biezen mat, een kussen gevuld met palmbladeren, een dierenhuid op de grond en een leren waterzak en wat wapens. Naast een kameel, paard, ezel en wat land, had hij geen aardse bezittingen.

Toen een aantal van zijn volgelingen op een dag de afdruk van zijn matras op zijn lichaam zagen, wilden zij hem een zachter bed geven, maar hij weigerde het aanbod beleefd, met de woorden “Wat moet ik met aardse spullen. Mijn band met de wereld is als die van een reiziger die eventjes uitrust in de schaduw van een boom en vervolgens verder gaat.”

Hij drukte moslims op het hart om vriendelijk te zijn voor de armen en hen met behulp van aalmoezen, liefdadigheid en op andere manieren te helpen.Hij zei: “Degene die zich vol eet en zijn buurman honger laat lijden, is geen perfecte moslim.” Hij vroeg: “Houden jullie van jullie Schepper? Houdt dan in de eerste plaats van jullie medemensen.”

Hij was van nature zachtmoedig en vriendelijk, altijd minzaam en bereid de fouten van anderen over het hoofd te zien. Beleefdheid en hoffelijkheid; mededogen en zachtmoedigheid; eenvoud en bescheidenheid, waren enkele kenmerken van zijn karakter. Hoewel hij in feite aan het hoofd van Arabië stond en een boodschapper van Allah was, nam hij nimmer een superieure houding aan. Niet dat hij dergelijke neigingen door middel van bepaalde handelingen of schijn diende te verhullen.

Hij pleegde als volgt te bidden: “O God ! Ik ben slechts een mens. Als ik iemand op een of andere manier kwets, vergeef mij dan en straf mij niet.”

Hij ontving mensen altijd hoffelijk en toonde respect voor ouderen en stelde: “Het eren van een oude man is respect tonen voor Allah.” Tijdens een bijeenkomst deed hij dusdanig zijn best om niet op een opvallende plaats te gaan zitten, opdat mensen die binnenkwamen moeite hadden hem te onderscheiden en moesten vragen wie van de aanwezigen de Profeet, vrede zij met hem, was. Hij ging bij de nederigste mensen zitten, en zei dat rechtschapenheid het enige criterium was waarmee iemand zich van anderen kon onderscheiden. Steevast nodigde hij mensen, studenten, dienaren en de armste gelovigen uit, om samen met hem aan zijn karige maaltijden deel te nemen.

Er was geen enkel soort huishoudelijk werk waar hij zich te goed of verheven voor voelde. Zijn vrouw A’isha heeft gezegd: “Hij hielp altijd mee met huishoudelijk werk en herstelde van tijd tot tijd zijn kleding, repareerde zijn schoenen en dweilde de vloer. Hij melkte, tuierde de grazende dieren, gaf de dieren te eten en deed de huishoudelijke boodschappen.”
Hij schroomde niet om het laag gewaardeerde werk van anderen te doen, in het bijzonder van wezen en weduwen. Toen er op een dag in het huis van zijn metgezel Kab Bin Arat, die op expeditie was, geen man aanwezig was, ging hij iedere dag naar diens huis om het vee te melken.

Hij verkondigde de mensen vertrouwen te hebben in Allah. Zijn hele leven was een verheven voorbeeld van de leer (die hij verkondigde). In de eenzaamheid van Mekka, te midden van achtervolging en gevaar, bij tegenslagen en rampspoed komt zijn volledige geloof en vertrouwen in Allah als overheersend kenmerk van zijn leven naar voren. Hoe groot het gevaar waar hij zich in bevond ook was, hij verloor nooit de hoop en stond zichzelf niet toe zich drukker te maken dan nodig was. Onder druk van vervolging in Mekka, vroeg zijn oom Aboe Talib hem zijn missie af te breken, maar hij antwoordde kalm: “Lieve oom, laat je niet leiden door mijn eenzaamheid. De waarheid zal niet lang zonder steun blijven.

Op een dag zal heel Arabië en daarbuiten diens zaak omarmen.” Toen de houding van de oppositie in Mekka dreigender werd, smeekte Aboe Talib zijn neef nogmaals om zijn missie af te breken, maar hij antwoordde: “O mijn oom, al gaven ze mij de zon in mijn rechter- en de maan in mijn linkerhand om me te dwingen mijn werk te staken, dan zou ik daar waarlijk niet van afzien totdat Allah Zijn zaak geopenbaard zou hebben, of ik zou sterven in de poging daartoe.”

Profeet Mohammed, vrede zij met hem, stond dusdanig bekend als een waarheidlievende persoon dat nadat hij zijn profeetschap openbaarde, zelfs zijn vijanden hem niet van leugens konden beschuldigen. Vóór zijn profeetschap was zijn bijnaam Al-Amin, ‘de betrouwbare.’ Tijdens de zware jaren van vervolging en onderdrukking in Mekka, besloten de leiders van de zware oppositie hem te vermoorden om de zaak te beslechten. Zij hadden een grote som geld verzameld als beloning voor de moordenaars. Omdat zij elkaar met het geld niet toevertrouwden, gaven zij het aan Mohammed, vrede zij met hem, om te bewaren, dezelfde persoon die zij met dat geld wilden laten ombrengen (!).

Niet alleen stelde hij zich betrouwbaar op tegenover mensen, hij waarschuwde mensen ook voor het oneerlijk bejegenen van dieren. Op een dag toen hij iemand zijn paard onder bepaalde voorwendselen zag roepen, zei hij: “Je moet stoppen met het bedriegen van dieren. Je dient zelfs in de behandeling van hen betrouwbaar te zijn !”

De Profeet, vrede zij met hem, vroeg mensen vriendelijk en rechtvaardig te zijn. Als hoogste rechter en scheidsrechter, als de leider der mensen, als een hervormer en boodschapper hield hij zich altijd bezig met mensen en hun zaken. Hij had vaak te maken met tegenover elkaar staande en oorlogvoerende stammen, waarbij het rechtvaardig zijn tegenover de ene, het gevaar met zich meebracht de andere partij tegen zich in het harnas te jagen. Toch week hij nimmer van het pad der rechtvaardigheid af. In het toepassen van rechtvaardigheid maakte hij geen onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen, vrienden of vijanden, hoog of laag (in de maatschappij geplaatsten). Ondanks hun vijandigheid ten opzichte van de profeet (vzmh), waren de Joden zo onder de indruk van zijn onpartijdigheid en rechtvaardigheidsgevoel, dat zij hun zaken naar hem brachten en hij daar volgens het joodse recht over oordeelde.

Op een dag duwde hij in het gedrang van een menigte per ongeluk een man met een stok omver, waarbij deze een lichte schaafwond opliep. Hij vond dit zo erg dat hij de man zei dat deze zich mocht vergelden, maar de man zei: “O Boodschapper van Allah, ik vergeef u.”

Mohammed, vrede zij met hem, vroeg mensen ideeën van superioriteit op basis van ras, familie(afkomst) of wereldse zaken te vermijden, omdat rechtschapenheid het enige criterium is waarmee iemand zich van anderen kan onderscheiden. In een tijd waarin zwarten slechts geschikt werden geacht als slaven, was zijn belangrijkste helper in de moskee, een zwarte Afrikaan, genaamd Bilal.

De Profeet, vrede zij met hem, predikte niet alleen dat mensen vriendelijk voor elkaar moesten zijn, maar voor alle levende wezens. Hij verbood het couperen van de staart en manen van paarden, het brandmerken van dieren op zachte plekken en het gezadeld houden van paarden. Wanneer hij een te zwaar beladen of ondervoed dier zag, benaderde hij de eigenaar ervan en zei hij: “Vrees Allah voor de manier waarop je dieren behandeld.” Een andere keer zei hij: “Waarlijk, er is een hemelse beloning voor iedere daad van vriendelijkheid die men jegens een levend dier begaan heeft.”